Infrastructuur

'Extreme engineering' voor dummies

Wat hedendaagse opdrachtgevers kunnen leren van Cornelis van Eesteren

'Een boezemstad dient geheel anders te worden ontworpen dan een polderstad.' De stelling is van Cornelis van Eesteren, roemrucht ontwerper van het Algemeen Uitbreidingsplan (1934) voor Amsterdam. Deze zoon van een aannemer wist om te gaan met water. Hij groeide vlak bij Kinderdijk op en bestudeerde zijn leven lang de morfologie en dynamiek van de Rijn.

Extreme engeneering

Jan Wouter Bruggenkamp, Henk van der Molen, Frits Palmboom & Julia van de Meer / studiezaal Het Nieuwe Instituut (foto: Matthijs Immink)

Alle rechten voorbehouden

De stelling van Van Eesteren mag 'nogal wiedes' lijken, hele generaties Nederlandse ontwerpers tekenden na 1950 hun wederopbouw- en Vinexplannen op maagdelijk, met zand opgehoogd polderland. Waterpartijen kregen een decoratieve functie. Nu klimaatverandering en bodemverzakking steden dwingen om zich aan een wisselend waterpeil aan te passen, is het werk van visionairs als Van Eesteren opnieuw actueel.
Er is nóg een reden om plannen en tekeningen van vroeger te bestuderen. De grootste Nederlandse ontwerpopgave ligt momenteel in bebouwd gebied. Nieuwe ontwerpen grijpen altijd in op de afwegingen en de systemische samenhang van eerdere plannen. Dan kun je die maar beter goed bestuderen.

workshops
Op initiatief van het ministerie van I&M verzorgden wetenschappers en ontwerpers een drietal workshops over historisch ruimtelijk ontwerp onder de noemer Water & Stedenbouw. Gefaciliteerd door het rijke archief van Het Nieuwe Instituut maken ze deel uit van de interdepartementale Actie Agenda Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp (AAARO).
De workshopleiders (onderzoeker Fransje Hooimeijer, praktijkhoogleraar Frits Palmboom en ontwerper Lodewijk van Nieuwenhuijze) presenteerden deze week hun - deels overlappende - bevindingen.

visionair ontwerpen
1. Een sturend, visionair concept is de beste start voor een ruimtelijk plan. Laat alle betrokken technische disciplines los op dat concept. Hun do's en don'ts leiden tot tussenversies met amendementen, en het uiteindelijke plan ziet er heel anders uit. Toch biedt zo'n cyclische aanpak meer kans op kwaliteit dan starten vanuit een dialoog.
2. Er is behoefte aan een 'gedeelde' fantasie vóórdat de aanbesteding van start gaat. Want bij de start van de procedure heeft de opdrachtgever al veel ingekaderd. Er moet dan al veel meetbaar zijn, er is nauwelijks ruimte meer voor een brede verkenning.
3. Gebruik de geschiedenis van een stuk stad of landschap. Het Nieuwe Instituut en lokale archieven bevatten veel technische en morfologische argumenten voor eerder uitgevoerde plannen. Met deze kennis worden nieuwe ontwerpen robuuster, slimmer en soms zelfs voordeliger.
4. Zeker bij watergerelateerde ontwerpvragen is systeemdenken belangrijk. Ontwerphistorisch onderzoek bevordert een open discussie en kan belangentegenstellingen ontzenuwen. Ook een lange tijdlijn helpt. Een gedeeld inzicht in verleden en toekomst van de plek is essentieel.

water in de wijk
De zorgvuldige, cyclische ontwerpstijl van Cornelis van Eesteren is een aansprekend voorbeeld. Het rijke Van Eesteren-archief toont hoe de ontwerper zijn plannen steeds opnieuw toetste aan onder meer bodemkundige en hydrologische expertise. De westelijke tuinsteden kregen een samenhangend watersysteem.
Eenzelfde cyclische werkwijze ligt ten grondslag aan de wijken Tanthof in Delft en het Lage Land in Rotterdam. Jaap Bakema's eerste schetsen voor Tanthof (1969) gaan uit van de bestaande krekenstructuur in het gebied, verwerkt in een 'groot gebaar' met lange diagonalen. Een technisch en morfologisch diepgaande planningscyclus resulteerde tenslotte in een zeer functionele en weloverwogen vorm.
Voor de drassige grond van het Lage Land bedacht Bakema de Mammoet (1953), een voor die tijd kolossale stapelbouw op palen met ruim uitzicht op het open landschap. Stedenbouwkundige Lotte Stam-Beese werkte de plannen verder uit. Van de Mammoet bleef een afgezwakte vorm over.
In beide gevallen werkten de visionaire plannen als breekijzer. Ook Stam-Beese achtte een 'groots ontwerp' nodig als basis voor technnisch onderzoek. De ontwerpen evolueerden in een wisselwerking tussen visie en praktijkbevindingen.

extreme engineering
In onze tijd biedt 'extreme engineering' een nog veel groter scala aan mogelijkheden. Bestuurders kunnen en moeten 'extreme' ideaalbeelden uitlokken, vinden de workshopleiders. De planningscyclus leidt dan tot een beter plan.
Dat geldt ook voor hogere schaalniveaus. Het landschap van de Houtribdijk was ook object van onderzoek. De dijk, die het Markermeer omsluit, is betrokken in een actuele ontwerpvraag vanwege de lage ecologische kwaliteit van het Markermeer. Archiefonderzoek wijst uit dat (alweer) Van Eesteren via reeksen schetsen steeds meer ontwerpkwaliteit toevoegde aan de rechte lijn - conform de Afsluitdijk - die ingenieurs hadden getrokken. Ideeën over toekomstige recreatie, over wegbeleving, maar ook over kostenbesparing (door benutting van aanwezige ondiepten) worden geleidelijk zichtbaar in de plannenreeks. Ook hier blijkt archiefonderzoek essentieel voor de aankomende 'renovatie' van het gebied.

Alle rechten voorbehouden

Media